Fiscale oudedagsvoorzieningen voor ondernemer en directeur-grootaandeelhouder

Fiscale oudedagsvoorzieningen voor ondernemer en directeur-grootaandeelhouder

Maandag 1 mei 2017

Zoals elke ondernemer weet, zijn aan ondernemen zowel kansen als risico’s verbonden. Een thema waar deze beide aspecten spelen, is het voorzien in de eigen oudedagsvoorziening. Als ondernemer ligt de focus vaak op de continuïteit van het bedrijf, op economische groei, op stabiliteit en groei van het personeelsbestand maar niet altijd op de toekomst na het beëindigen of verkoop van de onderneming. Voor een werknemer in loondienst wordt automatisch een pensioen opgebouwd, maar als ondernemer en/of directeur-grootaandeelhouder, hierna: “DGA”, bent u zelf verantwoordelijk voor het regelen van uw pensioen. In deze nieuwsbrief belichten we graag een aantal mogelijkheden om dit doel te realiseren met tevens een aantal alternatieve varianten.

De drie pijlers
Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers, waarvan er twee in ieder geval beschikbaar kunnen zijn voor u als ondernemer/DGA en één slechts in bepaalde omstandigheden.
De eerste pijler is de voor iedereen geldende AOW.

De tweede pijler betreft de pensioenopbouw via de werkgever. Een ondernemer kan slechts gebruik maken van deze pijler in een tweetal situaties. In de eerste plaats kan sprake zijn van een verplichte pensioenregeling omdat u actief bent in een bepaalde bedrijfstak. Daarnaast betreft dit de mogelijkheid van het (tijdelijk) vrijwillig voortzetten van de oorspronkelijke pensioenregeling.
De DGA kan uiteraard bij een externe verzekeraar pensioen opbouwen, en tot 1 april jl. bestond nog de mogelijkheid om pensioen in eigen beheer op te bouwen. Deze mogelijkheid is nu komen te vervallen. Voor bestaande pensioenregelingen in eigen beheer dient nu de keuze te worden gemaakt tussen een afkoopmogelijkheid tegen korting, het premievrij maken van de verplichting of het omzetten van de verplichting in een oudedagsvoorziening. Overigens, deze mogelijkheid wordt ook geboden aan DGA’s met extern opgebouwd pensioenkapitaal. Indien dit bij u speelt, zal uw (pensioen)adviseur hier ongetwijfeld contact met u over opnemen.

De derde pijler bestaat uit individuele pensioenvoorzieningen, bestaande uit lijfrenteverzekeringen, bankspaarproducten, alle bedoeld om een eventueel aanwezig pensioengat fiscaal op te vullen. Om fiscaal van de derde pijler te kunnen genieten, moet sprake zijn van een aanwezige jaar- en/of inhaalruimte, afhankelijk van uw inkomensgegevens van de voorgaande jaren. Deze ruimtes bepalen dus het fiscaal aanwezige pensioengat. De maximale jaarruimte 2017 bedraagt € 12.598. Hiervoor is wel een hoog inkomen vereist over het jaar 2016. Bovendien kan de ruimte beperkt worden indien u nog elders gebruik maakt van de tweede pijler dan wel gebruik maakt van de fiscale oudedagsvoorziening (voor ondernemers, zie hierna). De inhaalruimte over 2017 bedraagt maximaal € 7.110 (verhoogd indien minder dan 10 jaar voor AOW-leeftijd) en is afhankelijk van de niet benutte jaarruimtes van de afgelopen zeven jaren. Overigens, ook hier geldt dat de inkomensgegevens van het voorgaande jaar doorslaggevend zijn. Indien u gebruik wilt maken van de lijfrentepremieaftrek in 2017 en u had over de jaren 2010 tot en met 2015 wel een hoog inkomen maar in 2016 niet kan dit leiden tot nauwelijks fiscale ruimte voor premieaftrek.
Wanneer u overigens gebruik maakt van de derde pijler zonder fiscaal gefaciliteerde premieaftrek is de latere uitkering eveneens niet belast. In de praktijk valt ten aanzien van lijfrentepolissen regelmatig op dat over de jaren heen slechts in een aantal jaren daadwerkelijk premieaftrek is genoten. In die situatie kan het zinvol zijn om op verzoek aan de belastingdienst een beschikking op te vragen van de niet afgetrokken premies zodat de fiscale gevolgen van de polis in de toekomst bekend zijn.

Indien een lijfrentepolis de zogenoemde expiratiedatum bereikt, kan het verstandig zijn om met uw fiscaal adviseur de mogelijkheden door te nemen. Door het afkoopverbod in de meeste polissen kan een verkeerde keuze namelijk mogelijk leiden tot 72% belasting.

Voor de ondernemer
Als ondernemer mag u een deel van uw winst als oudedagsreserve op de balans opnemen. Indien u gebruik maakt van de opbouw van zo'n fiscale oudedagsreserve (FOR) realiseert u in het jaar van opbouw belastinguitstel tegen het progressieve tarief waartegen de FOR fiscaal in aanmerking wordt genomen. Wanneer uw winst hoger is, is het voordeel van de FOR dus ook hoger. Wanneer u echter uw onderneming beëindigt of wanneer u aan bepaalde voorwaarden niet meer voldoet, kan de FOR ineens aan de winst worden toegevoegd. Wanneer u een lage winst heeft, is de opbouw van de FOR niet altijd zinvol.
Overigens, wanneer u uw onderneming zou omzetten in een BV mag de bestaande FOR worden omgezet in een zogenaamde stakingslijfrente bij uw BV. Aangezien de stakingslijfrente normaliter middels periodieke uitkeringen plaatsvindt, kan de progressieve heffing over de stakingslijfrente aanzienlijk lager liggen dan die over de FOR.

Voor de ondernemer en de DGA
Bij oudedagsvoorzieningen gaat het voornamelijk om de drie pijlers en de FOR. Echter, u kunt uiteraard ook op andere manieren voorzien in het opbouwen van “spaarpotjes”. Het spreiden van de risico’s is daarbij wellicht het meest verstandig. Naast de bovengenoemde mogelijkheden kunt u verder nog denken aan:

  • Proactief de hypothecaire geldlening van het woonhuis aflossen of oversluiten via uw BV.
  • Fiscaal handig gebruik van kapitaalverzekeringen. De verzekeringen gekoppeld aan de eigen woning of afgesloten voor 14 september 1999 kunnen vrijgesteld zijn van heffing in box 1 en van vermogensrendementsheffing in box 3. Bestaande polissen gekoppeld aan de eigen woning kunnen eventueel vanaf dit jaar worden gebruikt om (boetevrij) af te lossen op de hypotheek door het vervallen van de zogenaamde tijdsklemmen.
  • Maak gebruik van een beleggingsvorm, zoals de aankoop van een recreatiewoning of ander vastgoed, beleggingsfondsen, CV-constructies, en dergelijke.

De focus op de oudedagsvoorziening is soms lastig scherp te krijgen. In de praktijk merken wij dat reeds met kleine bijdragen aan één van de mogelijkheden een snel groeiende focus ontstaat naar de toekomst toe. Wij helpen u hierbij desgewenst graag. Hebt u vragen over een van deze onderwerpen of uiteraard over iets anders, neem dan gerust contact met ons op, dit kan fiscaal erg lonend zijn.

Kort iets anders
Sinds 2017 is het bijtellingspercentage voor nieuwe auto’s 22%. Voor 1 januari 2017 was dit nog 25%. Dat houdt kort gezegd in dat een zakelijke auto die op of voor 31 december 2016 op kenteken is gezet 3 procentpunten duurder in de loonheffing is dan de gelijkwaardige auto die op 1 januari 2017 op kenteken is gezet.
Wanneer u een zakelijke auto rijdt van voor 31 december 2016 kan dit bericht interessant voor u zijn. In een bezwaarschrift zou wellicht gesteld kunnen worden dat het zogenoemde gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Hiervan is sprake wanneer gelijke gevallen ongelijk worden behandeld zonder rechtvaardigingsgrond. Wij verwachten dat er in Nederland een redelijke massale bezwaarprocedure op gang zal komen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de hoogte van de afdracht loonheffingen over januari 2017. Dit bezwaar zal vervolgens tegen de volgende maanden ook moeten worden gemaakt, zolang door de hoogste rechter niet is beslist. Wij verwachten overigens niet dat de Hoge Raad van mening zal zijn dat het gelijkheidsbeginsel hier wordt geschonden. Echter, indien geen bezwaar wordt aangetekend, kunt u – wanneer de Hoge Raad toch in het voordeel van belastingplichtige arrest wijst – geen beroep meer doen op deze regeling.

Indien u wenst gebruik te maken van de mogelijkheid van bezwaar vernemen wij dat graag. Zonder uw aanmelding zullen wij geen verdere actie ondernemen.